zondag 7 juli 2013

Arbitrage: De meetlat, de eigenaar, de coach en de beoordelaar

Vier seizoenen
Een pabo seizoen kent vier kwartalen: het 4e kenmerkt zich door toetsing, evaluatie, beoordeling en een enorme druk op de ketel. Er hangt nogal wat vanaf: Haal je je P of moet je van school, ga je afstuderen of komt er weer een deel van een jaar bij. Mijn collega’s hebben studenten procesgericht gecoached tot de eindstreep en veranderen dan met een collega-docent in assessor. Da’s best ingewikkeld. Na maanden intensief begeleiden en zien hoe groot de groei en inzet van een student is geweest, staat er ineens een collega naast je en die legt met jou de meetlat op tafel. Ook nog een collega die je goed kent, waar je dagelijks mee werkt. Zo is het systeem, zo hebben we het bedacht.

Klaar voor de start?
De ene collega bepaalt dus of een student klaar is om ‘op te gaan’,  die geeft permissie. Daar zit wat goeds in, dat voorkomt dat studenten vinden dat ze klaar zijn en het niet halen. We willen een soort garantie in bouwen dat het niet meer mis kan. Maar daarmee lijkt tevens het eigenaarschap van de student te verschuiven. En kan een docent ook zomaar de schuld krijgen van werk van een student wat niet goed genoeg is, of wat niet compleet is.  Waar fouten in zitten.

Vermeng dit proces met een sausje van tijdsdruk, van eigen biografieën en standpunten, van een gekleurd beeld over de meetlat en je begrijpt de spanningen die ontstaan.

We kennen een arbitrage, in dit systeem. Er is een examencommissie waaraan je werk en processen voor kunt leggen. Zij onderzoeken en oordelen zo objectief mogelijk, en vellen hun oordeel. Maar als je op dat punt komt is er natuurlijk al iets aan de hand in de verhoudingen, je komt er samen niet meer uit. De uitkomst kent dan alleen nog winnaars en verliezers. Zoals in ons rechtssysteem: je hebt gelijk gekregen of niet. Doorgaans voelt dat voor iemand rot en onrechtvaardig, maar daar hebben we ons aan te committeren.

De meetlat, de eigenaar, de coach en de beoordelaar

Kijkend naar deze ingewikkelde processen en vaak hoog oplopende emoties, zie ik een aantal belangrijke variabelen in dit proces: De meetlat, de eigenaar, de coach en de beoordelaar.

- De meetlat: In Nederland hebben we afspraken over rode verkeerslichten, rechts rijden, parkeeraanduidingen, parkeerverboden. Dat is fijn, dat maakt dat het leefbaar en werkbaar is. Maar ik ben blij als ik niet direct bekeurd word, wanneer ik even mijn auto op de stoep zet om een pakje weg te brengen op een plek waar ik mijn auto niet kwijt kan. Mocht er op dat moment een agent komen, dan hoop ik dat hij een oogje dichtknijpt. Ik blijf de ‘schuldige’, dus krijg ik wel een bekeuring dat is dan ook het spel, waarbij ik riskeerde en hij uitvoert. Voor mij zijn de beste agenten en parkeerwachters zij die de menselijke maat meenemen in hun werk. Die goed luisteren en kijken, de wet van buiten kennen en in plaats van rigide en strak werken ook coulantie kennen waar nodig.

De meetlat om startbekwame leerkracht te worden is ook nog een andere dan een set verkeersregels. Deze meetlat is namelijk tijd- en context gebonden. Het is geen kwestie van een set vaardigheden en werkstukjes et voilà, u bent zover. De meetlat verandert in vlot tempo omdat het tijdsbeeld verandert. Wat gisteren de maat was, is vandaag niet meer de maat. De vraag is of het onderwijs werkelijk om die veranderingen vraagt. Of we betere leerkrachten afleveren. Het is mogelijk, het kan ook over een paar jaar weer bijgesteld worden, omdat we tegen die tijd weer nieuwe inzichten en een ander kabinet hebben. 

Dat kan maken dat de meetlat voor sommige docenten er een is die flexibel genomen kan worden. En zo is het net weer niet. Komend jaar komt de accreditatie en dan wordt op de millimeter gekeken en gemeten of het klopte wat we deden. De verkeerswachter die niet verstaat dat de parkeerruimte vol was en ik even een pakje naar binnen moest brengen. Hij heeft gelijk, natuurlijk,  en kan niet zien hoe correct mijn gedrag op de andere dagen van de week is. Dus word ik bekeurd. De grenslijn is diffuus, want tegelijkertijd zullen mensen die vaak op de stoep parkeren hun gram halen, wanneer er in dit geval een oogje dichtgeknepen wordt. En hun rechten op eisen, wanneer zij wekelijks dit gedrag vertonen: Bij haar heb je het ook toegelaten.

- De eigenaar:  In ons geval is dat de student. Wat die student nodig heeft, zijn glasheldere afspraken over hoe, wanneer en wat. De student kent de meetlat en kan zich gedurende vier jaar hiernaast leggen. Een coach kan daarbij mee kijken en adviseren. Maar de student werkt, traint, oefent en legt voor. Het heeft geen zin om als coach de discussie van tijd- en context bij de student neer te leggen. En de lat te relativeren. Daar is de student niet bij gebaat. De student heeft consistente docenten nodig, die elkaar niet tegenspreken, maar met elkaar gericht zijn op het afstuderen en startbekwaam maken van de student.

De student moet beseffen hoe het spel werkt: Ja, je kunt het riskeren om op de stoep te gaan staan omdat je haast hebt, maar het is jouw probleem wanneer dit fout uitpakt. En nee, dan is er geen coulantie, geen medelijden. Weet je dat je vaak taalfouten maakt: Laat een familielid of medestudent keer op keer meelezen. Weet je dat je bepaalde vaardigheden niet verstaat, zoek een trainer en ga trainen. Een student dient de eindstreep te halen, niet de docenten, niet de beoordelaars. Voelt een student zich ten onrechte veroordeeld, dan is er arbitrage. Dan kan het werk opnieuw bekeken worden. Maar dat is een laatste redmiddel, want daarmee geeft de student dus aan dat hij het beoordelingsvermogen van de begeleidende docenten in twijfel trekt. Dat is een pijnlijke zaak, dat schaadt het vertrouwen.

- De coach:  Dat is de docent die begeleidt, adviezen geeft, meeleest. Die betrokken raakt bij het proces, de groei en ontwikkeling ziet. Die richting geeft. Die coach kan een vertroebelde blik krijgen, omdat hij of zij zo intensief met de student optrekt en geniet van het groeiproces. Omdat deze coach tevens degene is die bepaalt of een student ‘klaar’ is om op te gaan, is het wel eens ingewikkeld.

Omdat een coach soms voelt dat een zeker plafond bereikt is, dat een student heel hard werkt, maar het net niet goed genoeg doet. Leg daarbij die wisselende meetlat, waardoor een ervaren docent relativeringsvermogen heeft gekregen en je hebt direct een voedingsbodem voor twijfels.

Een coach kan altijd maar door één paar ogen kijken, die van hemzelf. En dus heeft een coach daar waar hij moet oordelen of het écht goed is óf die heldere meetlat óf nog een paar ogen nodig. Iedereen heeft zijn blinde vlekken, iedereen heeft zijn eigen perceptie van wat ‘goed’ is, dus we moeten ons beseffen dat dit een intensief, gekleurd proces is, waarbij het niet verkeerd zou zijn om als coach af en toe met een mede coach een helicopterview in te nemen. Met een ander te kijken naar het proces van de student en te vragen: Wat zie jij, wat denk jij? Dat betekent ook het loslaten van jouw concepten en beelden en je openstellen voor de beelden van een ander.

- De beoordelaar: In onze situatie kent de beoordelaar de student, de coach en de meetlat. Hij heeft een objectieve rol. Dit is het moment van de waarheid. En dus richt de beoordelaar zich op de meetlat. Klopt het, is het compleet, is het goed genoeg. In het ideale (en gelukkig vaak voorkomende) proces is het een feestje. De student legt vol trots zijn processen en producten voor, de coach zit er vol vertrouwen bij want weet wat de student heeft gedaan en kan, en de beoordelaar kan stevig doorvragen omdat het gewoon goed zit.
Soms zit het niet goed, is het niet compleet of niet goed genoeg. Dat kan. Dan komt er een bijstelling of een afwijzing. Ook dat is het spel.
Ontkoppelen of verbinden
Soms lopen de emoties hoog op, tijdens kwartaal vier. En hebben we discussies op het scherpst van de snede. Bediscussiëren we de meetlat, de waardeoordelen, het eigenaarschap van studenten. Het doet iets met collega’s, het doet veel met relaties. Het lijkt of we ook elkaar beoordelen in deze periode: Ben jij een goede coach, ken jij de meetlat, oordelen wij wel het zelfde?

Vanwege de tijdsdruk wordt er misschien wel te weinig tijd gemaakt om dit gesprek écht aan te gaan. Worden concessies gedaan, die niet goed voelen, waarbij de druk van de accreditatie natuurlijk leidend is. (Nee, niet op de stoep parkeren, niemand mag op de stoep parkeren).

En doen processen onrecht aan studenten, coaches én beoordelaars.

Het is niet heel moeilijk elkaar kwijt te raken of te veroordelen in dit proces. Steun te zoeken bij anderen, om je positie te versterken, om jouw gezichtspunt te onderbouwen. En daarmee kloven tussen collega’s te creëren. 

Deze periode maakt glashelder duidelijk wat we nodig hebben, en wat onze studenten nodig hebben. De normen en vormen zijn helder. Zijn weliswaar veranderlijk, maar per jaar zijn ze duidelijk vastgesteld. Op rustige momenten en cruciale plekken kunnen we hier aan schaven en schuren. Coulantie en gedeelde waarden zijn broodnodig. Wanneer een student door omstandigheden je vier dagen geeft om te beoordelen, in plaats van de vijf die ervoor staan, kun je je vasthouden aan je gelijk. Maar soms werkt de menselijke maat dan beter.  

Meer dan in andere kwartalen hebben we elkaar nodig, als team, als collega’s. Zullen we met elkaar naar onze studenten moeten kijken, naar elkaar, naar onszelf. En in iedere situatie bedenken: Doen we het goede? Blijven we trouw aan onszelf, laten we de ander heel en doen we recht aan het proces?

Ingewikkeld, maar boeiend. We gaan de zomer in. We laten de verhalen, frustraties en processen los. Misschien bespreken we dit nog met onze partners of vrienden. Na de zomer zien we elkaar weer en beginnen opnieuw. En vallen opnieuw in de valkuil van drukte, beoordelen, veroordelen.

Of…??? 

© Wilma van Esch

Geen opmerkingen:

Een reactie posten